Wetenschappelijk Consortium - Kennisplatform Innovatie Ouderenzorg (KIO)

De wetenschappelijke eindconclusies worden verwacht in het najaar van 2017.
Voor meer informatie hierover kan je terecht bij Flanders' Care, flanderscare@vlaanderen.be

Wie zijn we?

KIO is een interuniversitair en hogescholenconsortium met multidisciplinaire en methodologische expertise binnen het domein van de ouderenzorg. Het consortium wordt gecoördineerd door de onderzoeksgroep - OPIH van de VUB - Vrije Universiteit Brussel (M. Leys).

Als kernpartners werken mee: de interuniversitaire UG (Universiteit Gent) - VUB onderzoeksgroep iCHER (M. Jegers), de vakgroep Gerontologie VUB (E. Gorus), het Centrum voor Sociologisch Onderzoek, KUL (Katholieke Universiteit Leuven) (G. Van Hootegem), VUB–ETRO departement elektronica en informatica en ingenieurswetenschappen (B. Jansen), Industrieel Productontwerpen Howest (B Grimonprez) en een multidisciplinaire onderzoeksgroep van de Arteveldehogeschool (P. De Vriendt).

Wat doen we?

Het Kennisplatform Innovatie Ouderenzorg (KIO) staat in voor de begeleiding van de platformen en projecten van de Zorg Proeftuinen Vlaanderen, op basis van wetenschappelijke kennis en inzichten.

KIO beoogt:

  • het inhoudelijk ondersteunen van de verschillende zorg- en hulpverleningsprocessen door wetenschappelijke kennis aan te bieden afgestemd op de behoeften van de platformen. De ondersteuning gebeurt door informatie ter beschikking te stellen aan de proeftuinplatformen (passieve kennisdeling) en door contact en overleg (interactieve kennisdeling). Die kennis moet helpen om de barrières voor de implementatie van de innovaties te overwinnen, en aantonen de platformen en projecten in kwestie bijdragen aan de maatschappelijke doelstellingen voor de complexe groep ouderen (behoeftegestuurd, empowerend, effectief, efficiënt, rechtvaardig, duurzaam).
  • een meetinstrumentarium te ontwikkelen met kernindicatoren m.b.t. de platformen en projecten. Deze kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren kunnen de maatschappelijke en economische impact van projecten helpen inschatten. De indicatorenset werkt als signaalfunctie (een 'thermometer') om innovaties in ouderenzorg te optimaliseren.
  • het verzamelen, ter beschikking stellen en verspreiden van de opgedane wetenschappelijke kennis naar de actoren in de ouderen(zorg)praktijk, beleidsmakers en de (internationale) wetenschappelijke gemeenschap.
  • het formuleren van beleidsaanbevelingen op basis van de resultaten van de platformen/projecten met het oog op een programmatorische benadering van innovaties in het ouderenbeleid.

Om de proeftuinen concreet te ondersteunen, werken we met een wetenschappelijk interactief kennisoverdrachtsmodel ('evidence based knowlegde brokering')

  • Beschikbare (buitenlandse) kennis ('evidence') wordt verzameld of gegenereerd uit de ervaringen van de platformen, en wordt (opnieuw) ter beschikking gesteld voor de uitwerking van de projecten.
  • Door de kennisuitwisseling wordt ook het gebruik van 'roadmapping' gestimuleerd om implementatie op grotere schaal voor te bereiden.
  • De wetenschappelijke ondersteuning stoelt op participatieve en behoeftengestuurde ontwerpmethodieken.

We hanteren een sociaal-wetenschappelijke evaluatieonderzoeksmethode ('realist evaluation') van complexe interventies, rekening houdend met het bestaande maatschappelijke en wetenschappelijke debat over ouderen.

  • KIO houdt rekening met de complex samengestelde groep ouderen waarin diverse subgroepen specifieke behoeften hebben.
  • KIO hanteert een levensloopperspectief: de noden en behoeften van ouderen zijn niet statisch en worden bepaald door de samenhang van verschillende levensdomeinen.
  • KIO bestudeert de invloed van de innovatie op de intra- en interorganisatorische gevolgen van de innovatie (inclusief de impact op de arbeid van personeel).
  • Daar waar het technologische innovaties betreft, bestuderen we de technologiestandaarden en de ontwerpregels van de toestellen of technologische dienstverlening die gebruikt worden.
  • Elke proeftuin (inclusief de uitgevoerde projecten) wordt onderzocht als een op zichzelf staande gevalstudie ('within case analyse'). De transversale analyse van de proeftuinen ('between case analyse') zal de basis vormen voor het identificeren van patronen in de ervaringen van de proeftuinen met het oog op het formuleren van beleidsaanbevelingen. Die ervaringen worden getoetst aan de internationale literatuur.